Gouwe klauwtjes

Door Jan van den Heuvel

Mijn nu 91 jarige vader werkte destijds bij de gemeente Rotterdam en daar ging ook het onderhoud van de roltrappen van de metrostations bij horen. Hij had prachtige verhalen:

Boertjes van 'buuten'

Samen met zijn collega Aad de Vogel was hij in die openingsperiode vaak aanwezig om de roltrappen onder de knie te krijgen en te leren. In die prille begintijd van de metro kwamen er van heinde en ver mensen kijken naar dit nieuwe wonder van de techniek. Zo ook een bus met boertjes van buuten, die een kijkje kwamen nemen.

'In één vloeiende beweging namen alle hevig geschrokken buitenlieden het hoofddeksel af'

Vrolijk stapten ze met zijn allen op de lange roltrap van het Zuidplein, die destijds nog van het perron naar straatniveau liep. De mannen hadden allemaal van die boerenpetten op en de collega van mijn vader schreeuwde ineens, van bovenaf keihard “PETTEN AF!!!”. In één vloeiende beweging namen alle hevig geschrokken buitenlieden het hoofddeksel af, een en ander in de veronderstelling dat dat inderdaad verplicht was.

Gouwe klauwtjes

Mijn Pa en zijn collega’s kregen thuiswachtdiensten voor de roltrappen bij de metrostations. Als er eentje stil stond en het personeel van het station kreeg de trap niet aan de praat, dan kreeg mijn vader een telefoontje en ging hij, met de brommer, richting het station waar de malheur was opgetreden. Voor iedere storing kon hij tenminste drie vrije uren en wat extra centen opschrijven. Gouden business, noemde hij het.

'Op de vraag hoe hij dat voor elkaar kreeg was steevast het antwoord “Gouwe klauwtjes”'

Meestal was het een fluitje van een cent, zoals op station Rijnhaven, waar het personeel de trap met de opstartsleutel niet zelf gestart kreeg, omdat deze gewoon eventjes moest afkoelen. Dat wist mijn Pa wel, de medewerkers niet. Die wilden de trap gelijk weer starten, probeerden dat een paar keer en gaven het dan op. Als mijn Pa was gearriveerd, was de trap meestal dusdanig afgekoeld dat hij hem in één keer met exact dezelfde opstartsleutel, tot stomme verbazing van het overige personeel, weer aan de praat kreeg. Op de vraag hoe hij dat voor elkaar kreeg was steevast het antwoord “Gouwe klauwtjes” en noteerde hij weer drie uur op zijn verlofkaart.

Soms moest er echter meer gebeuren en moest de trap van onder tot boven helemaal open om de storing te traceren. Tijdens die werkzaamheden kregen hij en zijn collega’s, die toch echt bezig waren om de boel weer te repareren, constant commentaar van de reizigers. In de trend van “jullie verzieken meer dan dat je iets maakt” en meer van die vrolijke opmerkingen.

Dat inspireerde mijn Pa en zijn collega om op een speciale manier te gaan reageren op die opmerkingen. Zodra er iets gezegd zou worden, zou er in rijm gereageerd worden. Nadat zijn collega dat gedaan had, was mijn Pa aan de beurt. Hij kreeg de bekende vriendelijke opmerking “die trappen staan altijd stil”, zonder op te kijken reageerde mijn Pa “lik mijn bil” en ging verder aan zijn werk, de reageerder in opperste verbazing en verbijstering achter latend.

Luguber verhaal

Meest lugubere verhaal maakte een collega van mijn vader mee, die de lange roltrap op het Zuidplein moest repareren. Er werd dan bovenaan en onderaan een hekje geplaatst zodat duidelijk was dat de trap niet gebruikt mocht worden. Om in de trap te komen werden er vervolgens twee of drie treden verwijderd.

'die jongen zou het de rest van zijn leven wel uit zijn hoofd halen om over een afzettingshekje te stappen'

Als het werk gereed was, moest de trap proefdraaien. Dat gebeurde nog heel eventjes met dat gat van drie treden, want soms moest men er nog een keertje in. Met een speciale kabel, met de knoppen “op”, “neer” en “stop” kon de trap dan worden bediend om te kijken of alles goed liep en er geen aanlopers waren. De collega van mijn vader stond beneden die ellenlange roltrap met meer dan 300 treden. Met de kabel startte hij de trap en keek naar de kamplaatjes beneden of alle treden wel netjes in het gareel liepen.

Op een gegeven moment zag in een ooghoek een witte flits boven aan de trap. Direct drukte hij op “stop” en tot zijn stomme verbazing kroop er een schooljongen uit het gat van drie treden. Die jongen was over het hekje geklommen en op de roltrap gestapt, precies op het moment dat het gat langskwam. Als de trap niet direct was gestopt, was hij echt tot gehakt vermalen. Ze konden de jongen nog traceren, die was ergens lijkbleek op een bankje gaan zitten en zou het de rest van zijn leven wel uit zijn hoofd halen om over een afzettingshekje te stappen.